Eerlijke windmolens en participatie

Het succes van ‘moeilijke’ projecten in de openbare ruimte staat of valt met het creëren van draagvlak in de omgeving. De aanleg van een windmolenpark is een voorbeeld van een dergelijk gevoelig project. Omwonenden voelen zich vaak onvoldoende meegenomen in de besluitvorming en tevens onvoldoende gehoord als zij hun klachten over overlast uiten. Positieve participatie wordt hiermee een lastige zaak.

Het verkrijgen van acceptatie voor dit soort projecten start met het oprecht en open luisteren naar de feedback van alle relevante stakeholders en hier vervolgens ook iets mee doen. Uit onderzoek blijkt dat het passeren van stakeholders en het bagatelliseren van hun mening vaak leidt tot protest en dus tot eventuele vertraging van het project. Geen acceptatie vanuit de omgeving, slechte pers, hier zit werkelijk niemand op te wachten.

Energieakkoord en participatie

Het Energieakkoord voorziet in de grootschalige bouw van windmolens als middel om de doelstellingen te behalen. Gezien in dat licht is het opmerkelijk dat voorzitter Ed Nijpels van de Commissie Borging Energieakkoord recent op de vingers is getikt door de Ombudsman vanwege het meermaals verstrekken van foutieve informatie over de gevolgen van windmolens voor omwonenden. Het ging hierbij om het onvoldoende erkennen van negatieve effecten als geluidsoverlast en zichtschade. Volgens Ombudsman Renier van Zutphen is Nijpels “niet behoorlijk” omgegaan met klachten uit de maatschappij. Tevens plaatst de Ombudsman vragen bij de teksten op de website van de SER over de negatieve gevolgen van windmolens. De SER reageerde op het bericht door de bevindingen van de Ombudsman in twijfel te trekken: “De klacht dat wij windenergie vooropgezet positief bejegenen, bevreemdt ons. De conclusies zijn niet zwart-wit”.

Rapport Ombudsman

Omgevingswet

Dit zal burgers die te maken hebben of krijgen met windmolens in hun omgeving aan het denken zetten. Als de overheid, die verantwoordelijk is voor de plannen, de negatieve gevolgen daarvan onvoldoende erkent, hoe betrouwbaar is die overheid dan eigenlijk? En hoeveel zin heeft het in dat geval nog om op basis van een positieve grondhouding als participant een project tegemoet te treden? De overheid schept met het verstrekken van onvolledige informatie de condities voor weerstand uit de maatschappij.

Als we oprecht geloven in de weg die met de komst van de Omgevingswet is ingeslagen dan zal er in de toekomst op een andere wijze gecommuniceerd moeten gaan worden. Willen we participanten uit de maatschappij betrekken bij de inrichting van de openbare ruimte? Dan dient de overheid allereerst een betrouwbare gesprekspartner te zijn. Zolang dat onvoldoende gebeurt zal de indruk in de maatschappij blijven bestaan dat de overheid voor de vorm wel om participatie vraagt maar het in de praktijk toch liever allemaal zelf regelt.